Hartaandoeningen komen bij kinderen relatief vaak voor. Het hart kent meer aangeboren afwijkingen dan om het even welk ander orgaan.
Aangeboren hartafwijkingen komen bij één op de honderd baby’s voor. In de meeste gevallen gaat het om afwijkingen van
• een deel van het hart zoals een gaatje in het tussenschot dat het hart in tweeën deelt (VSD, ASD) of kleppen,
• de ductus arteriosus (verbindt bij de foetus de longslagader met de aorta), of
• een van de grote bloedvaten.
De meesten afwijkingen corrigeren zichzelf als het kind groeit. Voor de meer ernstige afwijkingen kan een operatie en/of medicatie nodig zijn. In dat geval zijn er vaak meervoudige defecten.
Meestal wordt ofwel tijdens de zwangerschap een afwijking vastgesteld ofwel na de geboorte of later een hartgeruis gehoord.
Volgende onderzoeken kunnen worden voorgesteld :
Echocardiografie:
Voor een diagnosestelling kan een echografie op de kraamafdeling, de kinderafdeling of op consultatie worden voorgesteld. In sommige gevallen worden de kinderen naar een kindercardiologisch centrum gestuurd om onze diagnose te bevestigen, om verdere onderzoeken uit te voeren of om een behandeling op te starten.
EKG:
in sommige gevallen is er sprake van hartritmestoornissen ; hier wordt regelmatig een EKG, een 24-uren EKG en bij een specifieke indicaties aanvullend een inspanningstest-EKG ('ietsen') gemaakt.